In dit deel komt de iso-waarde aan bod. Ook dit is een lichtregelaar en in zoverre bijzonder dat hij je helpt om je favoriete diafragma of sluitertijd te kiezen. De iso-waarde die je op een camera instelt, heeft alles te maken met de lichtgevoeligheid van de beeldsensor. Veel camera’s staan standaard in de automatische iso-stand. Net als het diafragma en de sluitertijd, is de iso-waarde als een getallenreeks weer te geven. We hebben er een tabel van gemaakt. Elke stap naar rechts in de tabel is een verdubbeling van de lichtgevoeligheid. Naar links wordt de gevoeligheid juist gehalveerd. Met elke stap maak je de sensor dus dubbel of half zo gevoelig voor licht. Op je camera kun je nog andere getallen tegenkomen dan je in de tabel ziet, zoals 125 en 160. Je raadt het al: dat komt weer omdat de iso-waarde in kleinere stappen van een derde is te veranderen, om nauwkeuriger te werken.

Met een hoge iso kun je een korte sluitertijd bereiken zodat de zangeres onbewogen op de foto staat. 

Zelf instellen Bij hoge iso wordt je camera zo gevoelig voor licht dat er storing ontstaat: ruis. Piepkleine zwarte of gekleurde spikkels die er niet horen te zijn. Net zoals er bij een ouderwetse (analoge) televisie tussen twee zenders alleen maar ‘sneeuw’ te zien was. Elke camera is in staat om de hoeveelheid ruis dramatisch te verminderen. Dit heet ruisreductie. Zodra je een foto maakt, poetst het toestel de storende ruis zoveel mogelijk uit de foto. Niets aan de hand dus, zou je denken. Helaas zit er ook een nadeel aan ruisreductie. Bij het wegpoetsen van ruis gaat ook een deel van de fijnere details in je foto verloren. Het beeld lijkt dan minder scherp en kleuren worden een beetje uitgesmeerd, als een aquarel waarvan de verf is doorgelopen. Gelukkig valt dat pas echt op bij de allerhoogste iso-waarden. Bewaar die daarom voor absolute noodgevallen.

Met zo’n prachtig portret wil je toch niet dat scherpte ‘uitloopt’ door de ruisreductie. 

Op smaak brengen Hoe weet je nu welke iso-waarde je het beste kunt kiezen? Dat hangt van een aantal dingen af. Eén daarvan is de technische fotokwaliteit. Je mag namelijk ervan uitgaan dat een lage iso-waarde altijd een betere fotokwaliteit oplevert dan een heel hoge waarde. Kies daarom bij voorkeur de laagste waarde waarbij je nog een goede foto kunt maken. Alleen wanneer er minder licht is dan je zou willen, schakel je stapje voor stapje over naar een hogere iso-waarde. Alsof je een pan soep op smaak brengt. Daarna stop je. Je doet er niet nog een flinke scheut zout extra bij ‘voor het geval dat’.

Ook in slecht licht levert een lage iso-waarde een betere fotokwaliteit op maar je kunt dan niet altijd goed belichten. Hier moest hele lange sluitertijd gebruikt worden zodat de camera op statief moet staan voor een scherp beeld.

De belichtingsdriehoek op een rij

Zoals je in de eerste twee delen van deze basiscursus hebt kunnen lezen, is de hoeveelheid licht die je camera ziet, via twee belangrijke instellingen aan te passen. Daarnaast hebben deze instellingen een creatief effect op de foto. Als je het diafragma verandert, heeft dat rechtstreeks invloed op de scherptediepte. Pas je de sluitertijd aan, dan heeft dat gevolgen voor de manier waarop je bewegende onderwerpen vastlegt. In dit derde en laatste deel komt de iso-waarde aan bod. De drie instellingen vormen samen de belichtingsdriehoek.

terug